blackjackbetting.nl

28 Jul 2026

Hoge Raad brengt duidelijkheid over gokcontracten met niet-gelicentieerde aanbieders

Hoge Raad gebouw in Den Haag met rechtszaal setting

De Hoge Raad heeft in juli 2026 een uitspraak gedaan die van belang is voor geschillen over online gokovereenkomsten die voor 1 oktober 2021 zijn afgesloten met aanbieders zonder Nederlandse licentie, vaak gevestigd op Malta, en die uitspraak wijst erop dat dergelijke contracten niet automatisch nietig of vernietigbaar zijn onder het Nederlandse burgerlijk recht zoals artikel 3:40 van het Burgerlijk Wetboek.

Deze beslissing wijst claims van spelers voor automatische volledige terugbetaling van historische verliezen af en geeft lagere rechters meer houvast bij het behandelen van vergelijkbare zaken, terwijl de Wet op de Kansspelen weliswaar het aanbieden van kansspelen zonder licentie verbiedt maar de onderliggende civiele contracten niet ongeldig verklaart.

Achtergrond van de zaak

Voor de opening van de gereguleerde Nederlandse markt op 1 oktober 2021 sloten veel spelers overeenkomsten af met buitenlandse operators die geen Nederlandse vergunning bezaten, en in de daaropvolgende jaren dienden sommige spelers claims in bij de rechtbank met het argument dat die contracten nietig waren vanwege het wettelijke verbod, wat volgens hen recht gaf op terugvordering van alle gestorte bedragen en geleden verliezen.

De rechtbanken in Amsterdam en Noord-Holland stelden hierover prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, omdat er onduidelijkheid bestond over de civielrechtelijke gevolgen van het aanbieden van illegale kansspelen, en de Hoge Raad heeft nu geoordeeld dat het verbod in de Wet op de Kansspelen de contractuele relatie tussen speler en aanbieder niet automatisch aantast.

De uitspraak van de Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad leidt het feit dat een aanbieder zonder licentie opereerde niet tot nietigheid van de overeenkomst op grond van artikel 3:40 BW, omdat dat artikel vereist dat de strekking van de wet zich verzet tegen de geldigheid van de rechtshandeling, en uit de wetsgeschiedenis en de systematiek van de kansspelwetgeving blijkt dat de wetgever niet heeft beoogd om alle civiele overeenkomsten met illegale aanbieders van rechtswege te vernietigen.

De uitspraak benadrukt dat spelers nog steeds individuele vorderingen kunnen instellen op grond van andere rechtsgronden zoals dwaling of onrechtmatige daad, maar dat er geen automatische terugbetalingsplicht bestaat enkel vanwege de afwezigheid van een Nederlandse vergunning voor oktober 2021.

Rechtszaal met documenten over gokwetgeving en contracten

Gevolgen voor lagere rechters en betrokken partijen

Lagere rechtbanken kunnen nu met meer zekerheid oordelen over lopende en toekomstige procedures, en de uitspraak voorkomt een stroom van massaclaims die gebaseerd zouden zijn op automatische nietigheid, terwijl tegelijkertijd de deur open blijft voor gedetailleerde beoordeling per individueel geval op basis van de specifieke omstandigheden van de overeenkomst en het gedrag van partijen.

Voor spelers betekent dit dat claims voor terugbetaling van verliezen uit de periode voor oktober 2021 niet langer op eenvoudige gronden kunnen worden ingediend, en voor aanbieders zonder vergunning uit die tijd ontstaat er meer rechtszekerheid over de afwikkeling van historische verplichtingen, hoewel de verbodsbepaling in de Wet op de Kansspelen uiteraard blijft gelden voor toekomstige activiteiten.

Relatie met de Wet op de Kansspelen

De Wet op de Kansspelen verbiedt het zonder vergunning aanbieden van kansspelen aan Nederlandse spelers en voorziet in bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties, maar de Hoge Raad heeft vastgesteld dat dit verbod niet doorwerkt naar het burgerlijk recht in die zin dat alle gesloten contracten daardoor nietig worden, en deze interpretatie sluit aan bij eerdere jurisprudentie waarin de civiele gevolgen van wettelijke verboden zorgvuldig worden afgewogen tegen de belangen van partijen.

Rechters in lagere instanties zullen bij toekomstige zaken dus moeten kijken naar bijkomende factoren zoals misleiding, oneerlijke bedingen of andere civielrechtelijke gronden voordat zij tot terugbetaling overgaan, en de uitspraak draagt bij aan een evenwichtige toepassing van zowel het kansspelrecht als het algemene contractenrecht.

Conclusie

De beslissing van de Hoge Raad in juli 2026 zorgt voor meer helderheid in een reeks lopende procedures over pre-2021 gokverliezen en onderstreept dat het verbod op illegaal aanbod niet automatisch leidt tot vernietiging van civiele contracten, terwijl individuele claims op andere gronden nog steeds mogelijk blijven en lagere rechters nu over consistente richtlijnen beschikken voor de afhandeling van dergelijke zaken.